Erika’s verhaal
Op 26 oktober 2014 overleed mijn jongere broer Bram. Hij hing zich op in de tuin van de drugdienst waar hij sinds zijn zestiende voor het eerst in begeleiding was. Ik geloof dat, als het drugsbeleid anders was geweest, zijn leven ook anders had kunnen verlopen en zijn dood voorkomen had kunnen worden.
Bram kreeg op 27-jarige leeftijd een Asperger-diagnose. Gedurende zijn kindertijd en jeugd had hij zich altijd ‘anders’ gevoeld, zonder te weten waarom. Hij vond het moeilijk om vriendjes te maken en te houden, en was intellectueel heel slim, maar begreep sociale interacties niet.
Toen hij 11 was, ontdekte Bram cannabis via een van de monitoren van de speelpleinwerking. Zo kwam hij in een oudere ‘vriendengroep’ terecht, waar hij zich eindelijk geaccepteerd voelde. Hij dacht dat ze zijn vrienden waren, maar voor hen was hij slechts een klein gastje die handig van pas kwam om drugs van hier naar daar te brengen.
Op zijn veertiende begon mijn broer te experimenteren met xtc en speed. Hij ontdekte dat hij, naast drummen, ook een talent had voor dj’en. De drugs en het gevoel van saamhorigheid lieten hem toe zijn beperkingen door het toen nog onontdekte autisme even te vergeten en de eenzaamheid die ermee gepaard ging te ontsnappen. Maar wanneer de meeste mensen ’s ochtends naar huis gingen om te slapen, zorgden de angst voor de comedown en de zucht naar meer ervoor dat hij bleef feesten met hardcore druggebruikers voor wie het weekend nooit stopte.
In dat milieu gaf een 30-jarige vrouw mijn broer voor het eerst een shot speed toen hij na drie dagen wakker blijven bij haar in slaap viel. Na die eerste shot was de drempel voor spuiten verlaagd en tegen zijn zestiende spoot mijn broer heroïne. In gesprekken met mijn broer omschreef hij die eerste ervaringen met drugs als eindelijk ‘thuiskomen’ en de wereld begrijpen.

